Van oudsher komen in de massaal bezochte Wereldtentoonstellingen sterk uiteenlopende ambities samen, waarbij boven alle verschillen uit het geloof in vooruitgang overheerst. Op de meest spectaculaire wijzen hebben de evenementen - die iconische bouwwerken als de Eiffeltoren in Parijs en het Atomium in Brussel opleverden - telkens een toekomstbeeld gepresenteerd waarin technologische innovatie het onbereikbare dichterbij bracht. Het vermogen van ontwerpers om het ongeziene in beeld te vangen, is voor Het Nieuwe Instituut een belangrijke drijfveer voor het ontwikkelen van een uitgebreid programma rond het thema van de Wereldtentoonstelling.

Gewoontegetrouw worden de laatste ontwikkelingen op het gebied van techniek en industriële productie op de Wereldtentoonstelling gekoppeld aan de culturele en sociale progressie van landen en gemeenschappen. Meer of minder expliciet wenst ieder paviljoen de nationale identiteit van het land uit te dragen, en tegelijk een signaal af te geven van zijn morele, politieke of economische superioriteit. Zowel de Wereldtentoonstelling als geheel als de afzonderlijke landenpaviljoens komen voort uit een gelegenheidscoalitie van staten, marktpartijen en sociaal-culturele instanties. Hun ambities worden samengebald in een architectonisch statement (het paviljoen), een verhaallijn (de expositie), en een presentatiewijze (media en objecten). De cruciale rol van (technologische) innovatie voor nationale economieën en culturen staat daarbij altijd voorop, vraagtekens worden er nauwelijks geplaatst. Maar hoe nationaal is innovatie tegenwoordig nog te duiden? En welke rol kan het culturele domein nog claimen in de steeds meer marktgedreven innovatieketens?