Het Nieuwe Instituut vroeg Ruben Jacobs om in de vorm van een essay de mogelijke verwantschap te onderzoeken tussen het functioneren van ontwerp bij de samenwerking tussen cultuur en industrie op de Wereldtentoonstelling, en binnen wat sinds enige tijd  'creatieve industrie' genoemd wordt, eveneens een wisselwerking tussen culturele en industriële uitgangspunten. In zijn tekst identificeert Ruben Jacobs de ontwikkeling van een ontwerpideologie van frictieloos ontwerpen, waarmee technologische mogelijkheden zo goed mogelijk voor menselijke behoeften werden ontsloten.

Ruben Jacobs (Amsterdam, 1984) studeerde Arts & Economics aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en cultuursociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is docent en onderzoeker aan de HKU waar hij les geeft in cultuursociologie en filosofie. Daarnaast is hij actief als freelance publicist en gaat zijn interesse uit naar de wisselwerking tussen kunst, samenleving en economie. Hij is als Fellow verbonden aan Het Nieuwe Instituut.

Zachte technologie

Maar laat ik nog even kort terugkeren naar de film Her. De film gaat immers niet alleen over de relatie mens-ding, maar vooral ook over de ‘interface’ die daar tussen zit: design. De film, zo realiseerde ik mij na een tweede keer kijken, geeft niet zozeer een visie op de technologie van de toekomst, maar eerder een blik op onze verhouding tot de technologie van de toekomst. En design speelt daarin een doorslaggevende rol. Dat is in het geval van deze film vooral de verdienste van K.K. Barrett, de production designer die Jonze inschakelde om de gevoelswereld van de film te stijlen. De eenvoudige, maar tegelijkertijd briljante truc die Barrett toepaste is de toekomst veel simpeler voor te stellen dan (film) futuristen van de 20e eeuw veelal geneigd zijn te doen. Dus geen vliegende auto’s, ruimtelijke hologrammen of pre-cogs a la Minority Report (2003), maar eerder een soort ambachtelijke retro-look die doet denken aan een design magazine uit de jaren 50. ‘This is a pleasant, soft future where everything is designed to everybody's personal taste’, aldus K.K. Barrett.

In feite toont Her hier een mogelijke toekomst van de evolutie van de computer: Ambient Intelligence. Slimme, onzichtbare technologie die op de achtergrond van ons bestaan fungeert. Denk aan een koelkast die zelf aangeeft wat moet worden aangevuld, kleurwanden die zich aanpassen aan je persoonlijke gemoedstoestand of kleding waarin elektronica is verwerkt die reageert op je omgeving. ‘Kalme technologie’, wordt het ook wel genoemd. Het idee daarbij is dat de leefomgeving door middel van het ‘internet der dingen’ (IoT) als een soort ‘ecologie van apparaten’[15] gaat functioneren. Met andere woorden: de dingen ‘zwijgen’ niet meer maar gaan letterlijk de interactie met ons en elkaar aan. Vaak zonder dat we het door hebben.

Technologie die wat minder in het centrum van onze aandacht staat willen we volgens mij allemaal wel. Maar tegelijkertijd kun je je ook afvragen of een volledig zenuwvriendelijke tech omgeving wel zo nastrevenswaardig is. Want wat heeft een eeuw na Dreyfuss’ ‘removing friction’ en Arens ‘humaneering’ ons eigenlijk opgeleverd? Heeft het onze relatie met de dingen, onze materiële cultuur, beter gemaakt? Heeft het ons de mogelijkheid geboden om in harmonie te leven met alle objecten om ons heen? Zijn de dingen echt humaner geworden? Of is juist het tegenovergestelde gebeurd: zijn we steeds verder af komen te staan van de dingen om ons heen? Heeft het wegvallen van alle frictie juist niet gezorgd voor een consumptieve houding tussen mens en ding? Al met al, hoe moeten we deze rol van design in het verzachten van technologie eigenlijk beoordelen?

Wrijvingloosheid

Waar modernisten als Arens en Dreyfuss nog met name op de functionaliteit (form follows function) van het object waren gefocust, en in de postmoderne cultuur functionaliteit grotendeels vervangen werd door betekenis, life style etc. (form follows fun), daar lijkt tegenwoordig design dus veelal immateriëler te worden[16]. Je ontwerpt geen object, maar je ontwerpt het vooral weg. Materiele objecten worden steeds vaker vervangen door vrijwel onzichtbare communicatiekanalen, informatiestromen of infrastructuren. Het gaat om ‘interactie’, ‘beleving’ of ‘service’. ‘Creatieve technologieën’, een nieuw domein binnen het hoger beroepsonderwijs, proberen daarbij zelf te ‘interveniëren in menselijk gedrag en beleving’[17] .

In zijn essay ‘The Depth of Design’ (1995) hekelt de Amerikaanse techniekfilosoof Albert Borgmann het feit dat design zich steeds minder is gaan bekommeren om het (materiele) object zelf. Hij schrijft:

‘In assembling our material culture, we have been much concerned with safety, efficiency, and commodiousness, and we have undertaken gigantic if often insufficient efforts to improve our material surroundings in these respects. At the same time, we almost entirely disavow responsibility for the moral and cultural excellence of our material surroundings.’[18]

Machinerie raakt steeds meer op de achtergrond, en de ‘dienst’ op de voorgrond. Deze apparaten, van een technologische gadget tot diensten als interface, nodigen uit tot consumptie; ze vragen geen betrokkenheid op zichzelf, maar op wat ze ons afleveren. Dit uitbesteden van allerlei (fysieke) alledaagse handelingen door het aan te bieden als dienst, is kenmerkend voor steeds meer hedendaagse technologie. In sommige filosofische kringen wordt dit ook wel ‘interpassiviteit’ genoemd: een geoptimaliseerde interactie tussen mens en machine in het communicatieproces gaat gepaard met een verlies van betrokkenheid bij en belangstelling voor het doel en product van het proces[19].

Niet per definitie een slechte zaak. Sommige activiteiten zijn niet erg om uit besteden. Maar, zoals tech criticus Nicolas Carr terecht stelt, is het uitbesteden van allerlei (denk)taken en verantwoordelijkheden aan technologie zeker niet zaligmakend. In zijn meest recente boek The Glass Cage: Automation and Us (2014) laat Carr, zonder daarbij over te komen als tech-conservatief, overtuigend zien dat wij in veel gevallen niet goed in staat zijn om rationeel na te denken over automatisering. Tijd en geldbesparing klinken maar al te fijn in de oren, maar de realiteit van deze ‘uitbesteedtechnologie’ is vaak weerbarstiger. De ervaring leert dat uitbesteding paradoxaal genoeg regelmatig leidt tot het tegenovergestelde.  

Een mooi voorbeeld daarvan is huishoudtechnologie. In haar klassiek geworden werk More Work For Mother: The Ironies Of Household Technology (1985) laat Ruth Schwartz overtuigend zien hoe modern werk besparende huishoudapparatuur, van machines tot stofzuigers, er niet voor heeft gezorgd dat Amerikaanse vrouwen minder werk hebben gekregen in het huishouden. In plaats van genieten van meer vrije tijd en reflectie, stonden de middenklasse vrouwen voor een nieuwe uitdaging: een nog hogere standaard van netheid.

Maar op een dieper niveau, zo stelt Carr, confronteert het ons nog met een ander vraagstuk: onze betrokkenheid tot onze alledaagse activiteit. Juist door alle wrijving, weerstand en feedback weg te halen, en de technische complexiteit te verbergen achter een gebruiksvriendelijke interface (ja, daar is Arens weer), raken we niet alleen op veel gebieden de grip kwijt maar gaan ook fundamentele menselijke kennis en kunde verloren. Focus, de ontwikkeling van vaardigheden, mentale leerprocessen, het geheugen, het zijn allemaal zaken die bij ‘wrijvingloze technologie’ onder druk komen te staan. Ter illustratie neemt Carr de huidige algoritmes voor het beoordelen en corrigeren die tegenwoordig in vrijwel alle tekstverwerking– en berichtensoftware zijn ingebouwd. Waar we ooit van spellingscontrole leerden, doordat deze ons wees op onze fouten, daar hebben veel systemen inmiddels een autocorrectie functie. Je fouten worden direct en haast onopgemerkt opgeruimd. Deze technologie vraagt niets van ons, waardoor je er ook weinig van leert. Wellicht klinkt dit nog onschuldig in de oren, maar je kunt je voorstellen dat als je dit principe doortrekt naar het brede scala aan activiteiten en taken die wij in het dagelijkse leven uitvoeren, er een ander beeld ontstaat. Carr: ‘De keuzes die we maken, of nalaten te maken, met betrekking tot de vraag welke taken we afstaan aan computers en welke we voor onszelf houden, zijn nu eenmaal geen praktische of economische keuzes. Het zijn ethische keuzes’[20].

Ethisch ontwerpen

Het probleem met al die ‘zenuwvriendelijke’ technologische objecten en/of diensten is niet zozeer dat ze er zijn, maar dat ze de neiging hebben om zich in alle facetten van het leven te gaan nestelen. Als een overweldigende digitale massa, die alleen nog maar bereikbaar is via het scherm van je smartphone of laptop. En wat op het eerste oog zenuwvriendelijk oogt, zo hebben we gemerkt, kan soms flink ‘terugbijten’. Tegelijkertijd wordt ons pril verworven inzicht in de moraal van de dingen, meteen weer voor een nieuwe uitdaging gesteld: de dingen dreigen onzichtbaar (cloud) te worden. Of in ieder geval empirisch niet meer aaibaar.

Het doet een beetje denken aan de klassieke satirische illustraties van de Amerikaanse cartoonist Rube Goldberg, waarin hij de meeste ingewikkelde machines bedacht voor de meeste simpele en elementaire taakjes. Zoals de Automatic Weight Reducing Machine (1914) of de Self-operating Napkin (1931). Er is echter een aanmerkelijk verschil: in Goldberg’s tekeningen is de versmelting tussen mens en machine transparant. Alle mechanistische schakeltjes tussen mens, dier en ding zijn op logische wijze aan elkaar gekoppeld. Of het nou gaat om het verbergen van een jusvlek of het aansteken van een sigaar tijdens het rijden met 80 km per uur, alle levende en levenloze gereedschappen die als een kettingreactie met elkaar verbonden zijn, zijn duidelijk in beeld gebracht. In het tijdperk van het ‘internet der dingen’ verdwijnt mechaniek (en dus ook morele) complexiteit achter een wand, app of interface, en staat alleen nog de dienst prominent op de voorgrond. Abstracter kun je het bijna niet krijgen.

Hoe hier mee om te gaan? Hoe grip te krijgen op hedendaagse informatietechnologieën die zich verhullen achter een immateriële en ‘mensvriendelijke’ interface? Is een designer eigenlijk wel goed uitgerust om met de ethische complexiteit die daarbij komt kijken om te gaan? Beschikt hij wel over de juiste ‘tools’ om de ‘samenleving’ dan in zo’n ontwerpproces mee te nemen? En kun je dat überhaupt wel vragen van een ontwerper? Ik weet het niet. Als ik naar mijn studenten kijk zie ik over het algemeen geen mensen die hun scheppingsdrang voortdurend willen onderbreken om zich te buigen over dieper gelegen moraliteit die hun creaties teweeg brengen. Ook zijn het niet de ‘digital natives’ zoals men ze vaak afschildert, ook zij worstelen met de alomtegenwoordigheid van technologie in hun leven. Wat ik wel zie zijn nieuwsgierige knutselaars die benieuwd zijn naar de wereld van morgen en hoe zij daar mede aan kunnen vormgeven. Constructie voelt voor hun nu eenmaal een stuk natuurlijker dan deconstructie. Science fiction (technologische verbeelding) i.p.v Ethica Nicomachea (Aristoteles’ deugdenethiek), zullen we maar zeggen.

Maar goed, welke kant moeten we dan opkijken? Moeten we sci-fi serieuzer gaan nemen? Is technologische verbeelding juist niet ook een manier om ethische verbeelding op gang te brengen? En misschien wel de enige manier om de ‘dingen’ tot leven te brengen? Her, als film over design en technologie, was in ieder geval zeer behulpzaam in het concreet verbeelden van de mogelijke toekomst van de versmelting tussen mens en machine. In die zin is Her misschien wel een mooi voorbeeld van wat men in sommige ontwerperskringen ook wel ‘design fictie’ noemt. Het creëren van fictionele, maar realistische en invoelbare toekomstscenario’s over hoe technologie kan worden ingezet en worden gebruikt,  en wat voor mogelijke effecten dit kan hebben op het menselijke bestaan, zόnder daarbij te vervallen in cynisme of naïef optimisme.

Het interessante hieraan is niet alleen dat het ons in staat stelt om het onzichtbare zichtbaar te maken, maar ook omdat het wellicht richtinggevend zou kunnen zijn in het oplossen van een andere uitdaging: het democratische gehalte van onze technologische toekomst. Want het interessante aan goed uitgevoerde design fictie is, en laat ik hier nogmaals Her aanhalen, dat het de potentie heeft om een kritische en realistische visie op technologie voor een groot publiek toegankelijk te maken. Of dit de inspraak op de toekomstige inrichting van onze alledaagse technologische omgeving vergoot is nog maar de vraag, maar creëert wel de mogelijkheid voor een publiek debat. Ontwerp - een antwoord op de vraag hoe te leven -  is nu eenmaal niet alleen maar vraagstuk voor individuen en hun persoonlijke smaak, maar moet gevoed worden door wat ze moet bevorderen: het algemeen belang.

juni 2015


[1] Henry Dreyfuss, Designing for people, paperback 2003

[2] Geraadpleegd op: http://publicdomainreview.org/collections/new-york-worlds-fair-1939-40/

[3] In tegenstelling tot de toekomstschetsen van de techno utopieën uit de literatuur, (zoals bij Edward Bellamy and H.G. Wells), die vaak 100 jaar ver vooruit waren, was de utopische horizon van Arens, net als die van Her, op New York World’s Fair veel dichterbij. Sterker nog: hij was er al.

[4] Egmont Arens, Color on the war front, Design, volume 45, issue 5, 1944

[5] Tara Andrews, Design and consume to Utopia: where Industrial Design went wrong, 2009

[6] Information Machine: Creative Man and the Data Processor (IBM, 1958)

[7] http://www.newyorker.com/news/news-desk/steve-jobs-technology-alone-is-not-enough

[8] P. Verbeek, Op de vleugels van Icarus. Hoe moraal en techniek met elkaar meebewegen, Lemniscaat, 2014

[9] Uit Ruben Jacobs, Iedereen een kunstenaar. Over Authenticiteit, kunstenaarschap en de creatieve industrie, V2/Nai10, 2014

[10]   P. Verbeek, Op de vleugels van Icarus. Hoe moraal en techniek met elkaar meebewegen, Lemniscaat, 2014

[11] Afscheidsrede Tjalling Swierstra, Heracliteïsche ethiek. Omgaan met de soft impacts van technologie, Maastricht Univeristy 2011

[12] Bruno Latour, Moraal en technologie: het einde der middelen, 2002

[13] Geraadpleegd op: http://www.jeroenvanloon.com/index.php?/project/analogue-blog/

[14] Geraadpleegd op: http://thenewinquiry.com/essays/pics-and-it-didnt-happen/

[15] Koert van Mensfoort, Als de producten tot je spreken, 2008. Geraadpleegd op: http://networkcultures.org/krant/2008/03/05/als-de-producten-tot-je-spreken/

[16] Peter-Paul Verbeek and Petran Kockelkoren, The Things That Matter, Design Issues, Vol. 14, No. 3 (Autumn, 1998), pp. 28-42

[17] Geraadpleegd op: http://www.creativetechnologies.nl

[18] Albert Brogmann, The Dept of Design, in Discovering Design. Exploration in design studies, The University of Chicago press, 1995

[19] Gijs van Oenen, Interpassiviteit, in Krisis, 6/4, 2005, p. 87-90

[20] Nicolas Carr, The Glass Cage: Automation and Us, Bodley Head, 2014